De start van het wielerseizoen

Ik kijk naar buiten. De bomen staan bewegingsloos in de grond en de vlaggen hangen slap langs de mast. Een vaag lentezonnetje werpt voorzichtige schaduwen op de grond.

Het is alweer lang geleden, misschien wel te lang. De ene keer stond er een straffe oostenwind en weer een andere keer lag er een deken van fijne motregen over het land. Maar nu… nu is alles anders. Het zijn de ideale omstandigheden voor een ‘mooi weer renner’.

Met een enthousiast hupje begeef ik mijzelf richting de schuur en blaas het stof van mijn aluminium ros. Behalve een tweetal slappe bandjes staat hij er mooi bij. De fietspomp is gewillig en na een paar keer pompen is de fiets weer in optimale koersconditie.

Na de fiets is het tijd voor de rijder. De zeemlerenbroek wordt achter uit de kast gehaald en de rugzakken van het fietsshirt worden ontdaan van mottenballen. Nog even met een doekje de spinnenwebben uit mijn helm halen en dan staat niets een ontmaagding van mijn wielerjaar 2019 meer in de weg.


Ik doe het hek van de schutting open en klik mijn schoenen vast in de pedalen. Ik steek voorzichtig mijn voorwiel in de brandgang en raak nog net het achterwiel van de voorbij sprintende buurman. Een stroef begin.

De eerste meters zijn onwennig. Het zadel zit niet zo lekker als dat het in mijn gedachten zat en ik weet haast zeker dat mij stuur anders staat. Na een aantal kilometers begint echter het lekkere ritme te komen. Met soepele tred trap ik de eerste 20 kilometer weg. Mijn route voert zich langs grazende hooglanders, rondscharrelede ooievaars en badderende zwanen. Wat is fietsen toch mooi!

Ik tik bijna de 30 kilometer aan als ik na twee linker bochten weer koers richting huis zet. Dan bedenk ik mij dat ik beter eerst naar de windrichting had kunnen kijken voordat ik van huis vertrok. Een nare windkracht 4 wurmt zich door de kieren van mijn helm, shirt en schoenen. Van het eerdere lentegevoel is nog maar bar weinig over. Als ik vele jaren ouder was geweest dacht ik op dit moment waarschijnlijk met weemoed terug aan “De Hel van ‘63”.

Als er zeker nog een kilometer of 20 voor de boeg zijn begint mijn maag langzaam te rommelen. Maar een goede voorbereiding is het halve werk, dus met een soepele beweging gaat mijn hand richting de achterkant van mijn shirt om er een plak ontbijtkoek uit te halen. Maar waar ik ook voel, ik tref er niks dan leegte.

Op het tandvlees weet ik mijzelf met slakkengangetje naar huis te slepen. Ik klik mijn schoenen los en sta weer met beide benen op de grond. Mijn voorste tandwielen zorgen nog voor een mooie beginnerstatoeage op mijn kuit en dan strompel ik naar binnen.

Ik pak de plak ontbijtkoek van het aanrecht en plof neer op de bank. Het wielerseizoen is geopend, HEERLIJK!


Iets te melden? Dat kan...